De teksten van de Carmina Burana

Op deze en volgende pagina's vind je In de linkerkolom de oorspronkelijke teksten, rechts een vertaling in het Nederlands. 

Voor de uitspraak van de Latijnse en Oud-Duitste tekst, zie pagina Uitspraak.
Van een aantal fragmenten is de uitspraak te beluisteren.

 

Vertaling van de teksten: Lex Reurings e.a. - Overname zonder toestemming niet toegestaan.

 

Klik op een titel om de tekst te openen en nogmaals om te sluiten.

Open alle teksten | Sluit alle teksten

1. O FORTUNA

FORTUNA IMPERATRIX MUNDI 

FORTUNA HEERSERES 
VAN DE WERELD
1. O FORTUNA 1. O FORTUNA
koor  

O Fortuna, ,
velut Luna
statu variabilis,
semper crescis
aut decrescis;
vita detestabilis
nunc obdurat
et tunc curat
ludo mentis aciem,
egestatem,
potestatem
dissolvit ut glaciem.

Sors immanis
et inanis
rota tu volubilis,
status malus,
vana salus
semper dissolubilis,
obumbrata
et velata
michi quoque niteris;
nunc per ludum
dorsum nudum
fero tui sceleris.

Sors salutis
et virtutis
michi nunc contraria
est affectus
et defectus
semper in angaria.
Hac in hora
sine mora
corde pulsum tangite;
quod per sortem
sternit fortem,
mecum omnes plangite!

O Fortuna ,
zoals de maan
in veranderlijke gestalten,
neem je altijd toe 
of af 
- een beklagenswaardig leven -
nu eens verhardt het 
en dan weer verkwikt het 
de scherpte van de geest met z'n spel, 
armoede, 
macht, 
zij lost ze op als ijs.

Wreed
en ijdel lot, 
jij wentelend rad, 
je bent kwaadwillend,
het geluk is vluchtig
en voorbijgaand, 
omfloerst
en verborgen 
al je mij ook lastig; 
oor je misdadig spel 
oop ik nu
et een blote rug.

Het lot dat voorspoed 
en geluk brengt
is nu ongunstig voor mij;
bestaat uit passie
en moedeloosheid
altijd in onzekerheid.
Bespeel in dit uur 
zonder uitstel 
de snaren van de lier;
Klaagt allen met mij, 
omdat zij door het lot 
de sterke velt!                                           

 

2. FORTUNE PLANGO VULNERA

2. FORTUNE PLANGO VULNERA 2. DE WONDEN DIE FORTUNA SLOEG
BEKLAAG IK
koor  
Fortune plango vulnera
stillantibus ocellis,
qoud sua michi munera
subtrahit rebellis.
|: Verum est, quod legitur
fronte capillata,
sed plerumque sequitur
occasio calvata.:|

In Fortune solio
sederam elatus,
prosperitatis vario
flore coronatus;
|: quisquid enim florui
felix et beatus,
nunc a summo corrui
gloria privatus.:|

Fortune rota volvitur:
descendo minoratus;
alter in altum tolitur;
nimis exaltatus
|: rex sedet in vertice
caveat ruinam!
nam sub axe legimus
Hecubam reginam.:|
De wonden die Fortuna sloeg beklaag ik
met betraande ogen,
omdat zij haar geschenken
op perverse wijze aan mij onttrekt.
Het is waar wat men leest,
dat zij een weelderige haardos heeft,
maar als men zijn kans wil grijpen
is ze kaal.

Op de troon van Fortuna
zat ik hoogverheven,
omkranst met verschillende
symbolen van voorspoed;
Ondanks alle voorspoed die ik heb gekend,
zalig en gelukkig,
ben ik nu van de top neergestort,
en ben ik mijn glorie kwijt.

Het rad van fortuin draait voort:
ik daal vernederd neer,
terwijl een ander stijgt;
al te verheven zit hij
als een koning op de top -
laat hij oppassen voor z'n val!
Want onder aan het rad lezen wij
de naam van koningin Hecuba.

 

3. VERIS LETA FACIES

Deel I, PRIMO VERE I. IN DE LENTE
3. VERIS LETA FACIES 3. HET VROLIJKE GEZICHT VAN DE LENTE
koor  
Veris leta facies
mundo propinatur,
hiemalis acies
victa iam fugatur.
In vestitu vario
Phebus principatur,
nemorum dulcisono,
que cantu celebratur.
Ah!

Flore fusus gremio
Phebus novo more
risum dat, hoc vario
iam stipate flore.
Zephyrus nectareo
spirans in odore;
certatim pro bravio
curamus in amore.
Ah!

Cytharizat cantico
dulcis philomena,
flore rident vario
prata iam serena,
salit cetus avium
silve per amena,
chorus promit virginum
iam gaudia millena.
Ah!
Het vrolijke gezicht van de lente
wendt zich tot de wereld,
de strenge winter
is reeds verdwenen, overwonnen.
Getooid in diverse kleuren
regeert Phebus,
met lieflijk klinkend gezang
uit de wouden toegejuicht.
Ah!

Gelegen in de schoot van Flora
lacht Phebus
opnieuw
bedekt met bonte bloemen.
Zephyr's adem geurt
naar nectar;
laten we ons haasten
te strijden om de prijs van de liefde.
Ah!

In harpklanken
zingt de zoete nachtegaal,
met bonte bloemen lachen
reeds de vrolijke weiden,
zwermen vogels vliegen op
door de lieflijke bossen,
het koor der maagden
belooft ons duizend vreugdes.
Ah!

 

4. OMNIA SOL TEMPERAT

4. OMNIA SOL TEMPERAT 4. DE ZON VERWARMT ALLES
solo bariton  
Omnia sol temperat
purus et subtilis,
novo mundo reserat
faciem Aprilis;
ad Amorem properat
animus herilis,
et iocundis imperat
deus puerilis.

Rerum tanta novitas
in sollemni vere
et veris auctoritas
iubet nos gaudere;
vias prebet solitas,
et in tuo vere
fides est et probitas
tuum retinere.

Ama me fideliter!
Fidem meam nota:
de corde totaliter
et ex mente tota
sum presentialiter
absens in remota,
Quisquis amat taliter,
volvitur in rota.
De zon verwarmt alles
helder en subtiel,
opnieuw onthult zij de wereld
het gezicht van April;
de mannenziel wordt aangemoedigd
zich naar Amor te begeven
en alle vreugdes worden beheerst
door de jonge god.

Al deze vernieuwing
in de feestelijke lente
en de kracht van de lente
gebiedt ons vrolijk te zijn;
ze wijst ons vertrouwde wegen,
en in de lente van jouw leven is het
juist en goed te behouden
wat van jou is.

Hou echt van me!
Zie hoe trouw ik ben:
met heel mijn hart
en heel mijn ziel
ben ik bij je
zelfs als ik ver weg ben,
Wie op deze wijze liefheeft,
draait mee op het rad.

 

5. ECCE GRATUM

5. ECCE GRATUM 5. KIJK, DE AANGENAME LENTE
koor  
Ecce gratum
et optatum
Ver reducit gaudia:
purpuratum
floret pratum,
Sol serenat omnia.
Iamiam cedant tristia!
Estas redit,
nunc recedit
Hyemis sevitia.
Ah!

Iam liquescit
et decrescit
grando nix etcetera;
bruma fugit,
et iam sugit
Ver Estatis ubera;
illi mens est misera,
qui nec vivit,
nec lascivit
sub Estatis dextera.
Ah!

Gloriantur
et laetantur
in melle dulcedinis
qui conantur,
ut utantur
premio Cupidinis;
simus jussu Cypridis
gloriantes
et laetantes
pares esse Paridis
Ah!
Kijk, de aangename
en langverwachte
lente brengt weer vreugde:
De weide
kleurt purper,
de zon vrolijkt alles op.
Laat de treurigheid nu eindelijk wijken:
De zomer nadert,
nu wijkt
de grimmigheid van de winter.
Ah!

Nu reeds smelt
en verdwijnt
de hagel, de sneeuw enzovoort;
de winterkoude vlucht
en reeds zuigt
de lente aan de borsten van de zomer.
Wat een arme ziel is hij
die niet leeft,
noch uitgelaten is
onder de heerschappij van de zomer.
Ah!

Zij die proberen
de beloning van Cupido
te bemachtigen
genieten
en verheugen zich
op zoete honing
Laten wij op bevel van Cypris
juichen
van vreugde
omdat wij gelijk aan Paris zijn.
Ah!

 

6. TANZ

6. TANZ 6. DANS
UF DEM ANGER IN DE WEI
instrumentaal  

 

7. FLORET SILVA

7. FLORET SILVA 7. HET EDELE WOUD STAAT IN BLOEI
koor en klein koor  
Floret silva nobilis,
floribus, et foliis.
Ubi est antiquus
meus amicus?
Ah!
Hinc equitavit!
Eia, quis me amabit?
Ah!

Floret silva undique,
nah min gesellen ist mir we.
Gruonet der walt allenthalben,
wa ist min geselle alse lange?
Ah!
Der ist geriten hinnen,
owi, wer soll mich minnen?
Ah!
Het edele woud staat in bloei
met bloemen en bladeren.
Waar is mijn
oude liefste vriend?
Ah!
Hij ging er op zijn paard vandoor!
Oh, wie zal mij liefhebben?
Ah!

Overal loopt het bos uit,
ik verlang hartstochtelijk naar mijn geliefde,
de bossen kleuren helemaal groen,
waar blijft mijn geliefde al die tijd?
Ah!
Hij ging er op zijn paard vandoor,
o wee, wie zal mij beminnen?
Ah!

 

8. CHRAMER, GIP DIE VARWE MIR

8. CHRAMER, GIP DIE VARWE MIR 8. KRAMER, GEEF ME KLEUR
koor en klein koor  
Chramer, gip die varwe mir,
diu min wengel roete,
da mit ich die jungen man
an ir dank der minnenliebe noete.
Seht mich an,
jungen man!
lat mich iu gevallen!

Minnet, tugentliche man,
minnecliche frouwen!
minne tuot iu hoch gemuot
unde lat iuch in hohen eren schouwen.
Seht mich an,
jungen man!
lat mich iu gevallen!

Wol dir Werlt, daz di bist
also freundenriche!
ich will dir sin undertan
durch din liebe immer sicherliche.
Seht mich an,
jungen man!
lat mich iu gevallen!
Kramer, geef me kleur,
om mijn wangen rood te verven,
zodat de jongemannen
mij niet meer kunnen weerstaan.
Kijk me aan,
jongeman,
laat mij jou verleiden!

Bemin, deugdzame mannen,
beminnelijke vrouwen!
liefde veredelt je geest
en geeft je eergevoel.
Kijk me aan,
jongeman,
laat mij jou verleiden!

Gegroet, wereld,
zo rijk aan vreugde!
ik wil je onderdanig zijn
om de genoegens die je verschaft.
Kijk me aan,
jongeman,
laat mij jou verleiden!

 

9. Reie - SWAZ HIE GAT UMBE

9. Reie 9. Reidans
- SWAZ HIE GAT UMBE - WAT HIER IN DE RONDTE DANST
koor/klein koor  
Swaz hie gat umbe
daz sint alles megede,
die wellent an man
allen disen sumer gan!
Ah! Sla!
- CHUME, CHUME, GESELLE MIN!
Chume, chum, geselle min
ih enbite harte din,
ih enbite harte din,
chume, chum geselle min.

Suzer rosenvarwer munt,
chum un mache mich gesunt,
chum un mache mich gesunt,
suzer rosenvarwer munt.

Swaz hie gat umbe
daz sint alles megede,
die wellent an man
allen disen sumer gan!
Ah! Sla!
Wat hier in de rondte danst
zijn allemaal meisjes,
die willen zonder man
deze zomer doorbrengen!
Ah! Sla!
- KOM, KOM, M'N LIEFJE
Kom, kom, m'n liefje
ik verlang naar je,
ik verlang naarje,
kom, kom m'n liefje.

Zoete roosrode mond,
kom en maak me gezond,
kom en maak me gezond,
zoete roosrode mond.

Wat hier in de rondte danst
zijn allemaal meisjes,
die willen zonder man
deze zomer doorbrengen!
Ah! Sla!

 

10. WERE DIU WERLT ALLE MIN

10. WERE DIU WERLT ALLE MIN 10. ALS HEEL DE WERELD VA N MIJ WAS
koor  
Were diu werlt alle min
von deme mere unze an den Rin,
des wolt ich mich darben,
daz diu chünegin von Engellant,
lege an minen armen. Hei!
Als heel de wereld van mij was
van de zee tot aan de Rijn,
zou ik er afstand van doen,
als de koninging van Engeland,
zou liggen in mijn armen. Hei!

 

11. ESTUANS INTERIUS

Deel II, IN TABERNA II. IN DE TAVEERNE
11. ESTUANS INTERIUS 11. VERSCHEURD DOOR INNERLIJKE WOEDE
solo bariton  
Estuans interius
ira vehementi
in amaritudine
loquor mee menti:
factus de materia,
cinis elementi
similis sum folio,
de qou ludunt venti.

Cum sit enim proprium
viro sapienti
supra petra ponere
sedem fundamenti,
stultus ego comparor
fluvio labenti,
sub eodem tramite
numquam permanenti.

Feror ego veluti
sine nauta navis,
ut per vias aeris
vaga fertur avis,
non me tenent vincula,
non me tenent clavis,
quero mihi similes,
et adiungor pravis.

Mihi cordis gravitas
res videtur gravis;
iocus est amabilis
dulciorque favis;
quisquid Venus imperat,
labor est suavis,
que numquam in cordibus
habitat ignavis.

Via lata gradior
more iuventutis
implicor et vititis
immemor virtutis,
voluptatis avidus
magis quam salutis,
mortuus in anima
curam gero cutis.
Verscheurd door
innerlijke woede
spreek ik vol bitterheid
tot mijn hart:
uit stof ben ik geschapen,
uit de as van de elementen
ik ben als een blad
waarmee de winden spelen.

Waar immers de wijze man
gewoon is om
op steen
zijn fundament te bouwen,
ben ik een dwaas die
als een stromende rivier,
nooit zijn loop
verandert.

Ik word meegevoerd
als een schip zonder stuurman,
zoals vogels afdrijven
in de luchtlagen;
ketenen noch sloten
houden me tegen,
ik zoek mensen zoals ik,
en voeg mij bij de stakkers.

De zwaarte van mijn hart
schijnt een zware last te zijn;
het is leuk grappen te maken
en zoeter nog dan honing;
wat Venus ook beveelt,
't is een kleine moeite,
zij bewoont nooit
een verdoofd hart.

Ik reis over de grote weg
zoals mijn jeugd dat wil
ik stort me in de misdaad
houd me niet aan de moraal,
begerig naar vleselijk genot
meer dan naar verlossing,
mijn ziel is dood,
dus zorg ik alleen nog voor mijn lijf.

 

12. OLIM LACUS COLUERAM

12. OLIM LACUS COLUERAM 12. OOIT BEWOONDE IK MEREN (De gebraden zwaan)
Solo tenor en mannenkoor  
Olim lacus colueram,
olim pulcher extiteram,
dum cignus ego fueram.

Miser, miser!
Modo niger
et ustus fortiter!

Girat, regirat garcifer;
me rogus urit fortiter:
propinat me nunc dapifer,

Miser, miser!
Modo niger
et ustus fortiter!

Nunc in scutella iaceo,
et volitare nequo
dentes frendentes video:

Miser, miser!
Modo niger
et ustus fortiter!
Ooit bewoonde ik meren,
Ooit was ik mooi,
toen ik een zwaan was.

Ellendig, ellendig!
nu zwart
en gaar gebraden!

De kok draait me om en om,
het vuur braadt me lekker gaar,
nu dient de waard me op.

Ellendig, ellendig!
nu zwart
en gaar gebraden!

Nu lig ik op een schotel
en kan ik niet meer vliegen,
ik zie knarsende tanden.

Ellendig, ellendig!
nu zwart
en gaar gebraden!

 

13. EGO SUM ABBAS

13. EGO SUM ABBAS 13. IK BEN DE ABT (van Cucanië)
Solo bariton en mannenkoor  
Ego sum abbas Cucaniensis,
et consilium meum est cum bibulis,
et in secta Decii voluntas mea est
et qui mane me quesierit in taberna,
post vesperam nudus egredietur,
et sic denudatus veste clamabit:


Wafna! Wafna!
Quid fecisti sors turpissima?
Nostre vite gaudia
abstulisti omnia!
Ha! Ha!
Ik ben de abt van Cucanië
en mijn vergadering houd ik met de drinkers,
en mijn roeping is gelegen in de orde van de dobbelsteen,
en wie mij 's ochtends in de kroeg zal vinden
zal tegen de avond naakt naar buiten gaan
en zo beroofd van zijn kleding zal hij schreeuwen:

Wafna! Wafna!
Wat heb je gedaan, zeer schandelijk lot?
Je hebt alle vreugde
van mijn leven ontnomen!
Ha!Ha!

 

14. IN TABERNA QUANDO SUMUS

14. IN TABERNA QUANDO SUMUS 14. WANNEER WIJ IN DE TAVEERNE ZIJN
mannenkoor  
In taberna quando sumus,
non curamus quid sit humus,
sed ad ludum properamus,
cui semper insudamus.
Quid agatur in taberna,
ubi nummus est pincerna,
|: hoc est opus ut queratur,
si quid loquar, audiatur. :|

Quidam ludunt, quidam bibunt,
quidam indiscrete vivunt.
Sed in ludo qui morantur,
ex his quidam denudantur
quidam ibi vestiuntur,
quidam saccis induuntur.
|: Ibi nullus timet mortem
sed pro Baccho mittunt sortem. :|

Primo pro nummata vini,
ex hac bibunt libertini;
semel bibunt pro captivis,
post hec bibunt ter pro vivis,
quater pro Christianis cunctis,
quinquis pro fidelibus defunctis,
sexies pro sororibus vanis,
septies pro militibus silvanis.

Octies pro fratribus perversis,
nonies pro monachis dispersis,
decies pro navigantibus,
undecies pro discortantibus,
duodecies pro penitentibus,
tredecies pro iter agentibus.
Tam pro papa quam pro rege
bibunt omnes sine lege.

Bibit hera, bibit herus,
bibit miles, bibit clerus,
bibit ille, bibit illa,
bibit servus cum ancilla,
bibit velox, bibit piger,
bibit albus, bibit niger,
bibit constans, bibit vagus,
bibit rudis, bibit magus.

Bibit pauper et egrotus,
bibit exul et ignotus,
bibit puer, bibit canus,
bibit presul et decanus,
bibit soror, bibit frater,
bibit anus, bibit mater,
bibit iste, bibit ille,
bibunt centum, bibunt mille.

Parum sexcente nummate
durant, cum immoderate
bibunt omnes sine meta.
Quamvis bibant mente leta,
sic nos rodunt omnes gentes,
et sic erimus egentes.
Qui nos rodunt confundantur
et cum iustis non scribantur.
IO! IO! IO! IO! IO! IO! IO! IO!
Wanneer wij in de taveerne zijn, maken we
ons geen zorgen dat wij slechts stof zijn,
maar we storten ons direct op het spel,
dat ons altijd hevig doet zweten.
Wat in de taveerne gebeurt,
waar geld de gastheer is,
dat is de moeite waard te vragen,
en hoor wat ik je zeg:

Sommigen spelen, anderen drinken,
sommigen leven er op los.
Maar die zich in het spel begeven
worden soms volledig uitgekleed
sommigen winnen hier hun kleren,
anderen gaan gekleed in zakken.
Hier vreest niemand voor de dood
maar dobbelt men in de naam van Bacchus.

Op de wijnschenker drinkt
het losbandige volk het eerst;
dan eenmaal op de gevangenen,
dan driemaal op de levenden,
viermaal op heel de Christenschaar,
vijfmaal op de in de Heer gestorvenen,
zesmaal op de lichtzinnige zusters,
zevenmaal op de struikrovers.

Achtmaal op de verlopen broeders,
negenmaal op de dwalende monniken,
tienmaal op de zeelieden,
elfmaal op de kibbelaars,
twaalfmaal op de boetelingen,
dertienmaal op de reizigers.
Op de paus en op de koning
drinken allen zonder mate.

De meesteres drinkt en de meester,
de soldaat drinkt en de priester drinkt,
de man drinkt, de vrouw drinkt,
de knecht drinkt met de meid,
de snelle drinkt, de luie drinkt,
de blanke drinkt, de zwarte drinkt,
de gesettelde drinkt, de zwerver drinkt,
de domme drinkt, de wijze drinkt.

De arme drinkt en de zieke,
de banneling en de vreemdeling drinkt,
de jongeling drinkt, de grijsaard drinkt,
de bisschop drinkt, de deken drinkt,
de zuster drinkt, de broeder drinkt,
de oude vrouw drinkt, de moeder drinkt,
deze vrouw drinkt, die man drinkt,
er drinken er honderd, er drinken er duizend.

Zeshonderd duiten zou nauwelijks
genoeg zijn als allen onbeteugeld
en zonder mate zouden drinken.
Hoeveel zij ook vrolijk drinken,
wij zijn degenen die iedereen beschimpt,
en aldus worden wij berooid.
Die ons beschimpen mogen vervloekt zijn
en mogen hun namen niet worden geschreven in het boek der rechtvaardigen.
IO! IO! IO! IO! IO! IO! IO! IO!

 

15. AMOR VOLAT UNDIQUE

III. Cour d'amours III. De Hof der Liefde
15. AMOR VOLAT UNDIQUE 15. AMOR VLIEGT OVERAL
solo sopraan en jongenskoor  
Amor volat undique;
captus est libidine.
Juvenes, iuvencule
coniuguntur merito.

Siqua sine socio,
caret omni gaudio;
tenet noctis infima
sub intimo
cordis in custodia:
fit res amarissima.
Amor vliegt overal;
overmand door hartstocht.
Jongelingen en meisjes
verenigen zich zoals het hoort.

Zij die zonder minnaar is
mist alle pleziertjes;
ze houdt de donkere nacht
verborgen
in de diepte van haar hart:
het is een allerbitterst lot.

 

16. DIES, NOX ET OMNIA

16. DIES, NOX ET OMNIA 16. DAG, NACHT EN ALLES (is tegen mij)
solo bariton  
Dies, nox et omnia
michi sunt contraria,
virginum colloquia,
me fay planszer,
oy suvenz suspirer,
plu me fay temer.

O sodales, ludite,
vos qui scitis dicite,
michi mesto parcite,
grand ey dolur,
attamen consolite
per voster honur.

Tua pulchra facies,
me fay planszer milies,
pectus habet glacies.
A remender
statim vivus fierem
per un baser.
Dag en nacht en alles
is tegen mij,
het geklets van de meisjes
doet mij wenen,
en dikwijls zuchten,
en nog meer vrezen.

O kameraden, jullie nemen me in de maling,
jullie weten niet wat je zegt,
spaar me, treurig als ik ben,
groot is mijn smart,
geef mij toch raad
op uw woord van eer.

Jouw prachtige gezicht,
doet mij duizendmaal wenen,
jouw hart is van ijs.
Als een soort medicijn
zou een kus
mij genezen.

 

17. STETIT PUELLA

17. STETIT PUELLA 17. ER STOND EEN MEISJE (in een rode tuniek)
solo sopraan  
Stetit puella
rufa tunica;
si quis eam tetigit
tunica crepuit.
Eia!

Stetti puella
tamquam rosula;
facie splenduit,
os eius floruit.
Eia!
Er stond een meisje
in een rode tuniek;
als iemand haar aaraakte
ruiste de tuniek.
Eia!

Er stond een meisje
als een roosje;
haar gezicht straalde,
en haar mond stond in bloei.
Eia!

 

18. CIRCA MEA PECTORA

18. CIRCA MEA PECTORA 18. IN MIJN HART (zijn veel verlangens)
Solo bariton en mannenkoor  
Circa mea pectora
multa sunt suspiria
de tua puchritudine,
que me ledunt misere.
Ah!

Manda liet,
manda liet,
min geselle
chomet niet!
Tui lucent oculi
sicut solis radii,
sicut splendor fulguris
lucem donans tenebris.
Ah!

Manda liet,
manda liet,
min geselle
chomet niet!
Vellet deus, vellent dii
quod mente proposui:
ut eius virginea
reserassem vincula.
Ah!

Manda liet,
manda liet,
min geselle
chomet niet!
In mijn hart
zijn veel verlangens
naar jouw schoonheid,
die me ellendig maken.
Ah!

Mannenvolk,
mannenvolk,
mijn geliefde
komt niet!
Je ogen schitteren
zoals de stralen van de zon,
zoals het flitsen van de bliksem
licht brengt in de duisternis.
Ah!

Mannenvolk,
mannenvolk,
mijn geliefde
komt niet!
Moge God, mogen de goden geven,
wat ik in gedachten heb:
dat ik de ketens van haar maagdelijkheid
mag losmaken.
Ah!

Mannenvolk,
mannenvolk,
mijn geliefde
komt niet!

 

19. SI PUER CUM PUELLULA

19. SI PUER CUM PUELLULA 19. ALS EEN JONGEN EN EEN MEISJE (bij elkaar zijn)
Solo bariton en mannenkoor  
Si puer cum puellula
moraretur in cellula,
felix coniunctio.
Amore suscrescente,
pariter e medio
avulso procul tedio,
fit ludus ineffabilis
membris, lacertis, labiis
Als een jongen en een meisje
bij elkaar zijn in een kamer,
gelukzalig is hun samenzijn.
Hun passie groeit,
en alle remmen
worden losgegooid,
een onbeschrijflijk spel
van armen, benen en lippen begint.

 

20. VENI, VENI, VENIAS

20. VENI, VENI, VENIAS 20. KOM, KOM, KOM TOCH
Dubbelkoor  
Veni, veni, veni, venias,
ne me mori, ne me mori facias,
Hyrca, hyrce, nazaza, trilirivos!
Pulcra tibi facies, -nazaza-,
oculorum acies, -nazaza-,
capillorum series, -nazaza-,
o quam clara spezies! -nazaza-,
Rosa rubicundior, -nazaza-,
lilio candidior, -nazaza-,
omnibus formosior, -nazaza-,
semper, semper in te glorior!
-nazaza-,-nazaza-,-nazaza-,-nazaza-.
Kom, kom, kom toch,
laat me niet te gronde gaan,
Hyrca, hyrce, nazaza, trilirivos!
Prachtig is je gezicht,
de schittering van je ogen,
je gevlochten haar,
o, wat een lekker ding!
Roder dan de roos,
witter dan de lelie,
mooier dan alle anderen,
altijd, altijd mijn zaligheid! 
-nazaza-,-nazaza-,-nazaza-,-nazaza-.

 

21. IN TRUTINA

21. IN TRUTINA 21. IN DE WEIFELENDE BALANS (van mijn gevoelens)
Dubbelkoor  
In trutina mentis dubia
fluctuant contraria
lascivus amor et pudicitia.
Sed eligo quod video,
collum iugo prebeo;
ad iugum tamen suave transeo.
In de weifelende balans van mijn gevoelens
strijden begerige liefde
en kuisheid met elkaar.
Maar ik kies wat ik zie,
buig mijn nek onder het juk;
ga onder het zo zoete juk door.

 

22. TEMPUS EST IOCUNDUM

22. TEMPUS EST IOCUNDUM 22. DIT IS DE TIJD VAN VREUGDE

Solo sopraan en bariton, koor en
kinderkoor

 
Tempus est iocundum,
o virgines,
modo con gaudete
vos iuvenes.
Oh, oh, oh!
totus floreo!
iam amore virginali totus ardeo!
novus, novus, novus amor est quo
pereo!

Mea me confortat
promissio,
mea me deportat
negatio.
Oh, oh, oh etc.

Tempore brumali
vir patiens,
animo vernali
lasciviens.
Oh, oh, oh etc.

Mea mecum ludit
virginitas,
mea me detrudit
simplicitas.
Oh, oh, ohetc.

Veni, domicella,
cum gaudio,
veni, veni, pulchra,
iam pereo!
Oh, oh, oh etc.
Dit is de tijd van vreugde,
meisjes,
maakt nu samen plezier,
jullie jongens.
Oh, oh, oh!
ik bloei helemaal op!
Nu brand ik helemaal van maagdelijke liefde!
Nieuw, nieuw is de liefde waaraan ik sterf!


Mijn belofte
maakt me vrolijk,
mijn weigering
maakt me somber
Oh, oh, oh etc.

In de winter
is de man geduldig,
bij het aanbreken van de lente
ontwaakt zijn lust.
Oh, oh, oh etc.

Mijn maagdelijkheid
maakt me dartelend,
mijn eenvoud
maakt me terughoudend.
Oh, oh, oh etc.

Kom, liefste,
met vreugde,
kom, kom, mijn schoonheid,
nu sterf ik!
Oh, oh, oh etc.

 

23. DULCISSIME

23. DULCISSIME 23. JIJ, ALLERZOETSTE
solo sopraan  
Dulcissime! Ah!
Totam tibi subdo me!
Allerzoetste! Ah!
Ik geef me geheel en al aan jou!

 

24. AVE FORMOSISSIMA

24. AVE FORMOSISSIMA 24. GEGROET, GIJ ALLERSCHOONSTE
koor  
Ave, formosissima,
gemma pretiosa,
ave, decus virginum,
virgo gloriosa,
ave, mundi luminar,
ave mundi rosa,
Blanziflor et Helena,
Venus generosa!
Gegroet, gij allerschoonste,
kostbaar juweel,
gegroet, trots der maagden,
glorieuze maagd,
gegroet, licht van de wereld,
gegroet, roos van de wereld,
Blanziflor en Helena,
nobele Venus!

 

25. O FORTUNA

1. O FORTUNA 1. O FORTUNA
koor  
O Fortuna,
velut Luna
statu variabilis,
semper crescis
aut decrescis;
vita detestabilis
nunc obdurat
et tunc curat
ludo mentis aciem,
egestatem,
potestatem
dissolvit ut glaciem.

Sors immanis
et inanis
rota tu volubilis,
status malus,
vana salus
semper dissolubilis,
obumbrata
et velata
michi quoque niteris;
nunc per ludum
dorsum nudum
fero tui sceleris.

Sors salutis
et virtutis
michi nunc contraria
est affectus
et defectus
semper in angaria.
Hac in hora
sine mora
corde pulsum tangite;
quod per sortem
sternit fortem,
mecum omnes plangite!
O Fortuna
zoals de maan
in veranderlijke gestalten,
neem je altijd toe
of af
- een beklagenswaardig leven -
nu eens verhardt het
en dan weer verkwikt het
de scherpte van de geest met z'n spel,
armoede,
macht,
zij lost ze op als ijs.

Wreed
en ijdel lot,
jij wentelend rad,
je bent kwaadwillend,
het geluk is vluchtig
en voorbijgaand,
omfloerst
en verborgen
val je mij ook lastig;
door je misdadig spel
loop ik nu
met een blote rug.

Het lot dat voorspoed
en geluk brengt
is nu ongunstig voor mij;
bestaat uit passie
en moedeloosheid
altijd in onzekerheid.
Bespeel in dit uur
zonder uitstel
de snaren van de lier;
Klaagt allen met mij,
omdat zij door het lot
de sterke velt!