De wereldlijke liederen van Benediktbeuern

Wolfgang Lange - Foto: wolfganglange.nl Lange

Inleiding door Wolfgang Lange

Benediktbeuern is een klein plaatsje in de Beierse Alpen. Daar staat een klooster uit het jaar 740. Tweehonderd jaar geleden deed men daar een opzienbarende vondst: men ontdekte een handschrift uit de dertiende eeuw. Het telt meer dan 100 bladzijden en bevat een schat aan liederen in het middeleeuws Latijn, het Provençaals en het oud-Duits.

De teksten worden in vier groepen verdeeld. De eerste groep bevat de
"Seria", beschouwingen over de wereld en het verval van de zeden. De tweede groep zijn liefdesliederen. Daarop volgt een groep van drink-, speel- en vagantenliederen. Het slot wordt gevormd door een Paas - en een kerstspel. Van sommige liederen is de herkomst bekend. Het zijn fragmenten en verzen van o.a. Ovidius, Hughes d'Orleans, Archipeta (een rondtrekkende geleerde uit de twaalfde eeuw, zijn echte naam is onbekend) en Walther von der Vogelweide.

Vaganten
De dichters van de zogenoemde vagantenliederen zijn niet bekend. Onder vaganten verstond men in de middeleeuwen een groep van jonge intellectuelen en studenten die van universiteit naar universiteit trokken, op zoek naar kennis, naar de wereld en naar het avontuur.
Het was een volkje, hard en fel, levend met lege beurs, vrolijk en ongebonden, snel met de vuisten, met hun vernuft en hartstochtelijk in poëzie, die meestal werd aangeboden in ruil voor een goede maaltijd of voor een aalmoes. Hun klassieke opvoeding verloochende zich niet, en in knap en scherpzinnig Latijn hebben zij ons hun verzen nagelaten. Die verzen geven een blik in hun wereld, waarin liefde, zwerven, gokken en drinken de hoofdtoon voeren: In taberna quando summus, non curamus quid sit humus (Wanneer wij in de kroeg zitten, is ons leven zorgenvrij).

Volksmuziek
Uit deze verzameling liederen (Carmina) uit Benediktbeuern (Burana) heeft de componist Carl Orff (1895-1962) een aantal verzen gekozen en op muziek gezet in een volksmuziekachtige trant. Misschien is dat wel het geheim van de geweldige populariteit van dit stuk. Daar lag ook de kracht van Orff, die baanbrekend werk heeft verricht op het gebied van volksmuziek. Zijn opvattingen over het muziekonderwijs aan jongeren ('Schulwerk') hebben hem beroemd gemaakt.
Bij Orff vallen al zijn werken onder de rubriek "Gesamtkunstwerk" . De Carmina Burana noemt hij een scenische cantate voorzien van magische beelden met de variant "choreografisch – dansant"; het is noch opera, noch zingspel, noch oratorium, noch cantate.
Het is aan al deze genres verwant, maar dekt nergens volledig de lading. De Carmina Burana wordt voornamelijk in twee versies uitgevoerd: gemengd koor, kinderkoor, solisten en een zeer uitgebreid orkest met slagwerk, twee piano's of in kleiner ensemble. Dan worden naast de zangers alleen twee piano’s en slagwerk ingezet.

 

Inhoud

De Carmina Burana omvatten 25 liederen. De openingshymne 'O Fortuna' is een lofzang op vrouwe Fortuna, heerseres van de wereld.
In de Middeleeuwen wint zij terrein als oerbeeld van menselijk inzicht. Haar geluksrad staat symbool voor het eeuwige ronddraaien van de wereld tussen geluk en ongeluk, opbloei en verval. Daarom is de beginhymne tevens het slotstuk. De cirkel is rond.

I In de lente

De eerste twee liederen gaan over wispelturige Fortuna [nr.1 O Fortuna].
Deze liederen zijn geschreven in ritmische strofen, "planctus" genaamd
die in de Middeleeuwen vaak gebruikt werden. Het symbool geluksrad is terug te vinden in de ronde, vaak glas- in - loodramen, boven de ingang van vele kathedralen. Fortuna draait aan het rad van het noodlot, dat mensen tot grote hoogte stuwt om hen vervolgens naar de aarde terug te laten vallen en te verpletteren.
"…want onder aan het rad", zo kan men lezen, "ligt koningin Hekuba [nr. 2 Fortune plango]; eens was zij de machtige Trojaanse koningin en nu is ze gedwongen om als slaaf bij een meester te gaan werken".
Na deze inleiding wendt de scenische cantate zich naar het positieve van het leven; uit de schaduwzijde die de winter heeft veroorzaakt, ontstaat een verwachtingsvolle lentestemming [nr.3 Veris leta facies]. Flora treedt naar voren in haar prachtige bonte kleed en alles ademt naar nectar.
De liederen over de lente kondigen de tijd om te beminnen aan. 'Al deze vernieuwing in de feestelijke lente en de kracht van de lente gebiedt ons vrolijk te zijn', zingt de bariton in een ingehouden stemming [nr. 4] alsof het een brief betreft van een verre geliefde. De spanning lost op wanneer een uitgelaten jubelend lentekoor [nr. 5 Ecce gratum] de treurnis, de winter, de hagel en het ijs gebiedt te verdwijnen.
Met een instrumentale boerendans [nr. 6 Uf dem anger] met sterk variërende maatsoorten begint de tweede helft van het eerste deel; de muziek doet denken aan oude speelmanpraktijken.
Aansluitend [nr. 7 Floret Silva] is de vraag van een verliefde vrouw waar haar vriend gebleven is; nu de natuur weer in volle bloei staat is het verlangen des te groter. De man beantwoordt haar jammeren met een galopachtig ritme [hinc, hinc equitavit]; hij heeft haar inderdaad verlaten.
In balladeachtige verteltrant vraagt een vrouw aan een koopman om rode verf om zich op te maken [nr. 8 Chramer, gip die varwe mir].

Maria Magdalena
Dit voorbeeld van een volksgedicht heeft een morele lading en zijn oorsprong in het grote passiespel van Benediktbeuren welke gangbaar was en is het gehele Zuid - Duitse gebied. De vrouw van lichte zeden is Maria Magdalena "in gaudio" , een gedicht ingebed als zelfstandig stuk binnen het passiespel heet: "Spiel von der sündigen und reuigen Magdalena" (spel van de zondige en berouwvolle Magdalena).
Maria Magdalena bezingt de lusten van deze wereld en maakt zich met haar vriendinnen (puellae) op om mannen te verleiden…
De mannen beantwoorden haar maar al te graag met een bevestigend neuriën. In het passieverhaal vechten een "amator" en een "angelus" om de ziel van Maria: de engel wijst haar op de inkeer van Jezus bij de Farizeeër Simon. Zij laat haar "turpes amatores" los, zal voortaan zwarte boetekleren dragen en als ze nu naar de "Chrämer", de koopman loopt, is het om zalf te kopen voor Christus; vol berouw werpt ze zich voor Zijn voeten. Haar zonden worden vergeven.
Maria Magdalena als heidense vrouw tot gelovige en tenslotte als een van de meest trouwe volgelingen van Christus.

Dans
De aanduiding "Reie" [nr. 9a] wijst op lente - en zomerdansen onder de blote hemel; het stelt een feestelijk schrijden voor, bijna als een pavane.
Het karakter van deze dans wordt door de componist in de partituur aangegeven met poco esitante : een bewust, volhardend neerzetten van de voet en in dit geval gepaard gaande met veel maatwisselingen.
Het spel tussen man en vrouw gaat in nr. 9b [Swaz hie gat umbe] over het elkaar uitdagen. Het mannetje drijft de spot met afwachtende houding van het vrouwtje. Maar de eigenlijke macht ligt bij haar: zij bepaalt het moment van het kussen. Haar lonken [nr. 9c Chum geselle min] en haar zwoele woorden zijn om gek van te worden…
Een wederzijdse liefdesverklaring en het uiten van de beste bedoelingen
is nr. 10. Ook al was de hele wereld van mij, van noord naar zuid, van oost naar west: ik zou het opgeven voor jou, mijn koningin van het land der engelen…

Koningin van Engeland?
Het land der engelen: ja, dat is een bijzonder aandachtspunt:
in de originele tekst staat: Chunich von Engellant (koning van engelland) en dat is in de geestelijke versie Christus; echter, er bestaat ook een wereldlijke versie waaruit blijkt dat de Chunich verandert is in Chunegin: "...gesungen von einem Mädchen, das für Richard Löwenherz schwaermte..." In dit geval zou de Chunegin von Engellant Eleonore von Poitou kunnen zijn, de vrouw van koning Henry II van Engeland en moeder van Richard Leeuwenhart.. echter; nu wordt het nog moeilijker: anderen zeggen dat de Chunegin von Engellant niet minder dan Maria is... Hoe dan ook: in de tijd van een grote Maria cultus vermoed ik dat een man alles Van de wereld wil opgeven en inruilen om in de armen te liggen van een absoluut ideaal: de mooiste, de reinste, de meest mystieke vrouw op aarde..

 

II In de kroeg

Van de lentestemming en reidans gaan we over naar de meer aardse geneugten, maar allen hebben hun eigen verhaal. Ze zijn door het noodlot gevormd van wat ze wilden zijn maar niet werden!
Meteen een glansrol voor een Don Juan van formaat:
[nr. 11] Hij heeft het moeilijk met zijn levensinstelling; hij, lafaard en nietsnut, prefereert de lusten, het vlees boven de ziel en slaapt daardoor elke nacht onder een andere hemel en ziet de ernst van een serieuze liefde niet in; hij jammert maar kan er niets aan doen. Dit is zijn lot.
Een ander beeld is het geklaag van de ooit mooie witte zwaan [nr. 12] die eens de meren bewoonde: hij arme, ligt nu in een braadpan, zwart als een raaf en wordt door de keukenhulp aan het spit gedraaid, te lang gebakken en voor consumptie klaar. .
De overmoedige drinkebroer die in de rol van abt van een gefantaseerd klooster kruipt en zichzelf "bisschop van lekkerland" noemt is zijn "geloof" in praktijk aan het brengen door te dobbelen. [nr. 13 'Ego sum Abbas]: jij dobbelsteen, hebt mijn levensvreugde en al het andere afgenomen. Orff leeft zich bij dit deel volledig uit. Het was in de Middeleeuwen gebruikelijk te parodiëren op de geestelijkheid, zowel als de niet geestelijkheid en haar stijve moraal. de niet-geestelijkheid is in dit geval niet het volk, want juist die groep parodieert, het is de adel, de bewindsmannen, de moralisten die op de hak worden genomen..De pechvogel jammert quasi psalmodiërend.

De kompanen , vol leedvermaak, beamen zijn tragedie.
Aan het einde van dit tweede deel verenigen zich alle smulpapen en zuipschuiten waarbij deze scene uitmondt in een wilde apotheose
[In taberna nr. 14).

 

III De tuin der liefde

Gaan de eerste twee delen over gezelschap, gezelligheid, het samen zijn en doen, zo beweegt het derde deel zich meer in het persoonlijke, individuele leven op een lyrische, beminnende wijze.
Een subliem liefdesspel gaat beginnen, vol bewustzijn en beheersing, een spel vol verlangen en hoop, over het mislukken ervan en het verstopte, bijna stiekeme instemmen.

Het eerste lied uit de tuin der liefde gaat over Amor, die jongens en meisjes zal vangen en ze alle vreugde geeft. In 'Dag en nacht' [nr. 16] klaagt de bariton: 'Jouw hart is van ijs. Als een soort medicijn zou een kus mij
genezen'.
Nr. 17 [Stetit puella ] is de hoogst vorm van koketterie: in dit rococo-achtige lied wil het meisje met het gloeiende, smachtende hart, de geliefde veroveren: zonder woorden, alleen door houding en mimiek om zodanig ook zichzelf te plezieren…
In nr. 18 gaat het warmbloedige dingen naar het meisje door de knaap gewoon door: 'In mijn hart zijn veel verlangens omdat je zo mooi bent, en dat doen pijn.’ En nadat de dichter ons in een chanson, in eenvoudige wijsheid der liefde uitlegt wat er allemaal gebeurt als een jongen en een meisje bij elkaar zijn [nr. 19], roept hij twee keer zijn geliefde aan: 'Kom, kom, kom toch' [nr.20] en 'Kom, liefste, met vreugde (...) Oh, oh, oh! ik bloei helemaal op!' [nr.21]. Dit heftige liefdesverlangen beantwoordt de sopraan die haar hart en ziel voelt zwalken [in trutina]. De sopraan zweeft in nr. 23 [dulicissime ] in hoogste coloraturen en daalt zalig en ontspannend terug…

Gegroet Allerschoonste
Op dit punt zet het grote koor in met een hymnische volle klank, zuilen van akkoorden die als lofzang dienen voor de liefdesgodin: zij zal altijd in allerlei verschillende beelden en gedaantes gevierd en geprezen worden. Ave formosissima is de achtste van 33 vagantenstrofen van een liefdesdialoog. In de Middeleeuwen worden vaak citaten uit de Bijbel en de liturgie gebruikt om de verhouding tot je geliefde duidelijk te maken; in deze hymne, niet vrij van een lichte vorm van parodie, knielt de geliefde man voor zijn aanbedene. Het beeld is een transpositie uit een Lauretanische Litanie (Mariahymne); datgene dat als voorbeeld geldt voor onbereikbare liefde, onvoorwaardelijke trouw, beide nagenoeg goddelijke gegevens is nu aards, heidens; de ideale vrouw, de grootste liefde (Maria) wordt het verlangen naar het reële.
Andere "onbereikbare" vrouwen die in deze hymne genoemd worden zijn Blanziflor, Helena, Venus en in dit gedicht verdekt: mundi rosa, oftwel Rosamunde, de geliefde van Henry II. Zij allen representeren het hoofse ideaal: Blanziflor (of Blancheflur) , in een Byzantijnse liefdessage genoemd, wordt een symboolfiguur van de allerhoogste vorm van trouw aan de liefde; Helena, dochter van Zeus, schoonheidskoningin uit de Griekse Oudheid; Venus, de Romeinse godin van de zinnelijke liefde en schoonheid...
Nee, geen van allen regeert de (liefdes) wereld. Het is Fortuna, de onverbiddelijke godin van het noodlot.

Het rad draait door…


Wolfgang Lange, februari 2008

Wolfgang Lange is dirigent van het Utrechts Kamerkoor, het Waterlands Kamerkoor (Purmerend), Lingua Musica (Leiden), het Eindhovens Kamerkoor en het Luna Kamerkoor.